naar archief
Publicatiedatum: 10 februari 2011
Auteur: Corry en Reinder van der Molen
Oecumenisch
Leerhuis Assen: ‘Wie en wat is ons heilig’
Het heiligen van de Sjabbat
Op 27 januari staat voor het liturgisch centrum in De
Bron een summier gedekte tafel. De bezoekers zitten in een cirkel
daaromheen. Daarachter een man met een keppeltje op, Bob Theewis. Deze
avond staat in het teken van de sjabbat. We proberen het heilige hierin
te achterhalen.
Bob Theewis is door omstandigheden in zijn jeugd pas
later samen met zijn vrouw lid geworden van een Joodse gemeente. Na de
oorlog, zo zegt hij, was de verwachting dat er geen toekomst meer zou
zijn voor Joods gemeenteleven. Dat is niet uitgekomen. Inmiddels is er
ook een ‘Progressief Joodse gemeente’ in de synagoge van Zuidlaren.
Bob is daar lid van. Zo’n ‘sjoel’ is trouwens geen godshuis maar
een huis om te leren.
Heilig? In het Joodse denken is niemand heilig met
uitzondering van de Schepper en de schepping. Mozes is de grootste onder
de mensen maar ook hij is feilbaar, dus niet heilig. Het gaat er om in
het leven te doen wat goed is en laten wat niet goed is. Dat praktiseren
is belangrijker dan geloven. Deze avond in De Bron maken we iets mee van
het belangrijkste feest van de Joden, de sjabbat. De sjabbat heeft het
jodendom behouden en de Joden hebben de sjabbat vastgehouden.
Aan tafel
Als er op vrijdagavond (figuurlijk) drie sterren aan de lucht staan
begint de sjabbat met de maaltijd. De mannen dragen een keppeltje om aan
te geven dat er sprake is van een scheiding tussen het hogere en het
aardse. De aanwezigen zijn vrolijk gekleed. Zo heeft Bob vanavond een
das om met vrolijk fruit er op om te laten zien dat het op sjabbat feest
is. Op de tafel staan twee zilveren sjabbatkaarsen, een mandje brood met
daarin twee challes (gevlochten broden), kiddoesjwijn (heiligingswijn),
een kleine schenkkan, kruiden, een gevlochten kaars.
Bob zingt het openingsgebed: ‘Geprezen U, Eeuwige - onze God, Koning
van de wereld die ons door zijn geboden een bijzondere taak heeft
opgelegd’, letterlijk: heeft geheiligd door zijn geboden. De twee
kaarsen in de zilveren kandelaars worden door een van vrouwelijke
aanwezigen aangestoken. Niet eerder dan dat ze uit zichzelf zijn gedoofd
zal de sjabbatviering ten einde zijn. Zegenende handen worden over de
tafel uitgestrekt en een gebed wordt uitgesproken. We mogen proeven van
de zoete kidoesjwijn en wensen elkaar le-chaim, ‘op het leven’. Na
het wassen van zijn handen deelt Bob met ons het gevlochten brood.
Tijdens beide handelingen worden weer gebeden uitgesproken. Er wordt
daarna lekker gegeten (“Morgen ga ik weer heerlijke koppensoep maken”,
zegt Bob op deze donderdagavond), een goed gesprek gevoerd, plezier
gemaakt en gezongen. Ook tegen het eind van de maaltijd wanneer het
weemoedige lied klinkt waarin de profeet Elia wordt aangeroepen in de
verwachting van de Messias die ooit zal komen.
Nu de maaltijd spoedig zal eindigen ontstaat een
weemoedige sfeer. De geur van de sjabbat vervliegt. Er wordt daarom een
beker met wijn gevuld waarover de zegen wordt uitgesproken. We ademen
nog een keer de geur van de sjabbat (een van de aanwezigen noemt het de
‘geur van heiligheid’) in door middel van een kruidenbusje dat
rondgaat. Dan wordt de uit twee delen gevlochten kaars aangestoken. Die
staat voor de dualiteit in het leven: man en vrouw, donker en licht,
einde en begin. Deze kaars wordt met de wijn gedoofd. Met een gebed
wordt de tafel besloten: ‘Geprezen, U Eeuwige die een onderscheid
maakt tussen gewijd en ongewijd ...’
Er staan dan opnieuw drie sterren aan de hemel.
We merken dat deze rituelen Bob raken.
Ze raken ook het gezelschap.
Er hangt deze avond, ondanks deze grote zaal, een intieme sfeer, een
sfeer van rust.
Vragen
Op een vraag wat ‘De eeuwige heiligt ons leven’ betekent
ontstaat bij Bob enige verwarring. “Ik sta met de mond vol tanden, ben
geen theoloog”, om zich snel te herpakken met: “Heiligen is
praktisch, is de goede dingen doen.” Als voorbeeld noemt hij het geven
van 10% van het inkomen voor goede doelen. “Dat is de opdracht: ‘leven
als mensch’.”
En wat bedoelt Bob met het ’s morgens uitgesproken gebed: ‘Ik dank
U, Allerhoogste dat na deze nacht de ziel in mijn lichaam is
teruggekeerd’? Waar is de ziel die nacht dan geweest? Ook hier volgt
weer een even praktisch als prachtig antwoord: “Dat terugkeren
betekent ongeveer: “Gelukkig, ik, Bob, heb de nacht overleefd, ik ben
er nog.”
Verwarmd door deze praktische en niet verkrampte ‘geloofs’houding
gaan we huiswaarts, in de hoop de volgende morgen te kunnen zeggen en
danken ‘Gelukkig, ik ben er nog.’
naar archief