naar archief
Publicatiedatum: 21 april 2011
Auteur: Auckjen Ridderbos
Magdalena
Toen ik het schilderij met de titel ‘Magdalena’
voor het eerst zag, was ik direct getroffen door de buitengewoon zachte
uitstraling die het heeft. De schilder, Giovanni Dalessi, is met zijn
verf en kwasten dusdanig te werk gegaan dat je, al kijkend, de sensatie
hebt de huid van de afgebeelde personen te voelen. Of dat je ze
voorzichtig zou willen aanraken.
Wat zien we?
Twee mensen, een man en een vrouw, dicht bij elkaar. Hun hoofden
raken elkaar, haar hand ligt in zijn nek. De ogen van de man zijn
geloken, de vrouw kijkt hem aan met grote open ogen. Beiden houden hun
mond gesloten: dit is een moment zonder woorden. Tot zover zou het een
tamelijk gewone voorstelling kunnen zijn van een man en een vrouw in een
intiem ogenblik. Wat het schilderij ongewoon maakt zijn de kale
gedoornde takken en de snoeischaar in de hand van de man.
(Aan)geraakt
Waardoor je geraakt wordt, dat is heel persoonlijk, maar soms ook
verrassend gemeenschappelijk. Ik zal vertellen wat mij trof in de hoop
dat u iets daarvan herkent en gestimuleerd wordt om uw eigen weg te gaan
met dit schilderij. Het woord ‘aanraken’ is hier trouwens heel
betekenisvol, omdat het verhaal vertelt dat Jezus in de graftuin tegen
Maria zegt: “Raak me niet aan” (in de NBV: “Houd me niet vast”).
Ik vat dat ook op als een aansporing om hem niet vast te leggen en
steeds opnieuw naar hem te kijken.
De wijze waarop Maria hem aanraakt laat een tedere betrokkenheid zien en
getuigt van een verbinding tussen haar en hem. Die verbinding wordt ook
geaccentueerd door de takken die hun hoofden samen omlijsten. Het is
alsof zij beseft dat zij met hem alleen een relatie kan hebben als ze
bereid is deel te hebben aan zijn lijden. Het gaat hier niet zomaar om
een liefdespaar, zoals moderne exegeten wel veronderstellen.
Haar blik zegt: “Wat staat me te wachten met jou?”, maar ook: “Wat
het ook is, aan jou vertrouw ik me toe.” Hij is naar binnen gekeerd,
geconcentreerd. Hij weet dat het veel vraagt als je leven wilt met een
grote mensenliefde. De snoeischaar in zijn hand, die vervaarlijk open
staat, heeft daarmee te maken. “Iedere rank aan mij die geen vrucht
draagt snijdt hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit hij
bij, opdat hij meer vruchten draagt.” Dat zegt hij van zijn Vader, de
wijnbouwer (Joh. 15). Woorden die hard en beangstigend overkomen als we
niet vasthouden waar het in dat stuk om draait: “Blijf in mij, dan
blijf ik in jullie.” Maria doet dat op deze voorstelling. Terwijl de
punten van de snoeischaar angstwekkend dicht bij haar halsslagader komen
slaat ze daar geen acht op. Haar ogen zijn alleen op Jezus gericht. Als
we ons voorstellen dat de tak wordt afgeknipt, dan komt haar mond vrij
en dan kan ze spreken. En dat is ook de opdracht die ze van de opgestane
Jezus krijgt: “Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat
ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die
ook jullie God is” (Joh. 20:17).
Aan haar wordt toevertrouwd om als eerste uit te spreken
waar het allemaal om is gegaan in Jezus’ leven: dat hemel en aarde
verbonden zijn en dat God een Vader is, ook voor ons. En als ze gehoor
geeft aan die opdracht en als eerste naar de leerlingen gaat, dan begint
ze zo: “Ik heb de Heer gezien!” (Joh. 20:18) Voor mij zou dat het
onderschrift bij dit schilderij kunnen zijn, want het vangt precies dat
moment dat ze met intense aandacht naar hem kijkt en tot zich laat
doordringen wie hij is, met alles wat dat inhoudt voor haar leven.
Ten slotte: tussen hen beiden in en om hen heen zien we
een wolkachtige witheid. Zomaar een achtergrond? Ik veronderstel toch
liever een verbeelding van de verborgen God, lichtgevend en verhuld in
een geheimvolle wolk. En van zijn Aanwezigheid, zijn Inwoning tussen ons
mensen.