naar archief
Publicatiedatum: 1 juni 2011
Auteur: ds. Helène van Noord
Veelstemmig
...
Het is inmiddels overbekend en wordt door velen
gekoesterd, het lied van Sytze de Vries, ‘Zolang wij ademhalen’. In
dit lied komt eigenlijk alles ter sprake wat zingen met mensen
doet.
Zingen geeft een gevoel van saamhorigheid, van eenheid.
Kijk maar naar wat er in de stadions gebeurt als een koor van supporters
het clublied inzet. Of wat het Wilhelmus met mensen doet. Even vallen de
verschillen weg, even delen we, in al onze veelstemmigheid, eenzelfde
passie, eenzelfde geschiedenis, eenzelfde emotie. Van Jan Smit tot en
met een cantate van Bach: muziek, de combinatie van klank en woord,
raakt mensen diep in hun binnenste. Het roert onzichtbare snaren in je
binnenste aan. Gevoelens van vreugde, verdriet, verliefdheid,
liefdespijn, wanhoop, strijd … ze worden geuit in klanken, in een
lied. Ze worden verwoord in beelden op tonen die voorbij gaan aan de
dagelijks taal.
Waar mensen op zoek zijn naar de diepe dingen van het
leven, naar de zin van het bestaan, naar beelden van God, naar
ervaringen van geloof, is muziek één van de instrumenten is om de
diepere lagen van ons denken en voelen aan te boren en boven te brengen.
Het is niet toevallig dat in alle grote godsdiensten de verhalen en
gebeden zingend worden doorgegeven. Melodieën helpen je om woorden te
onthouden enerzijds, en om ze tot je door te laten dringen in alle
vezels van je ziel anderzijds.
Tweede taal
Zingen heeft te maken met wat Huub Oosterhuis een ‘tweede taal’
noemt. Niet de taal van één en één is twee en dood is dood, de taal
van de afgesproken uitdrukkingen. Die tweede taal is een andere taal: de
taal als je je hart wilt luchten en zeggen wat in je is, wat je beweegt,
noembaar-onnoembaar, onzegbaar en toch zo dicht op je huid. Als het gaat
over liefde en dood, over God en mens, dan is die eerste taal niet
alleen ontoereikend, maar ook gevaarlijk. Als het gaat om wat ons leven
beweegt, om wat scheiding zal maken tussen licht en donker, land om te
leven uit de chaos die ons overspoelt, dan zijn daar woorden die ons als
muziek in de oren klinken. Woorden die om aandacht vragen en waardering
oproepen, weerlozer en kwetsbaarder, bescheidener dan al die woorden
waarmee wij onze wereld aan ons menen te kunnen onderwerpen.
De Schriften spreken in die tweede taal. Daarom vragen
ze om onze zorg en kennis, om de oren van onze ziel en niet van ons
hoofd alleen, zodat we de woorden niet verdraaien tot feitenkennis. Niet
zelden zijn het liederen die vanuit de Schriften tot ons komen:
klaagliederen, lofliederen, liederen van liefde, liederen van geloof van
ongeloof, liederen van roepen in het donker, van juichen in het licht.
Liederen die muren laten vallen, de ketens doen verbreken, muziek om van
uit je dak te gaan … zoals in de lezing van Handelingen verteld wordt
als Paulus en Silas lofliederen zingen in de gevangenis.
Liederen van bevrijding, van vernieuwing. ‘Cantate canticum novum’,
horen we in Psalm 98. ‘Zingt een nieuw lied’. Of anders gezegd: ‘zingt
een lied van vernieuwing’. Blijf niet steken bij het oude liedje, bij
de waan van de dag, maar kijk, in het licht van de Eeuwige, steeds met
nieuwe ogen naar de dingen. Met ogen van zieners, met de taal van een
leven dat ver voorbij ons passen en meten reikt. De tweede taal, waarin
wij ons leven vinden, de taal van kinderen en profeten, de taal van
geloven.
Zingend geloven
Een mens kan eigenlijk alleen maar zíngend geloven. Calvijn, zelfs
die steile Calvijn, wist daarvan. Bij woorden die je hoort of leest komt
in de eerste plaats je verstand in actie. Maar een tekst die je zingt
wordt door de werking van de melodie als door een trechter
rechtstreeks in het hart gedruppeld, aldus Calvijn in het voorwoord
van het Franse psalmboek uit Genève.
Wezenskenmerk
In de liederen die wij als gemeente zingen, klinkt de verkondiging
door van Gods bemoeienis met deze donkere aarde. Daarom is het zingen
van de gemeente niet alleen antwoord op het Woord van God dat wij horen.
Zij is óók het Woord zélf en de gemeente is daarmee ‘dienares van
het Woord’. Het zingen van de gemeente is geen franje, maar is één
van haar wezenskenmerken. Want met het zingen plaatst de gemeente zich
in het geheel van de vierende gemeenschap, die zich ten overstaan van de
samenleving, van de wereld, de dienst van gebed en lofzang
behartigen.
Het roepen uit de diepte verontrust en legt de harten bloot en brengt
ons te binnen waar de breukvlakken van het samenleven zich bevinden. De
lofzang, waar God op troont, verwarmt de harten en léért hoe het op
aarde óók zou kunnen. Zingend vertalen waartoe wij zijn gedacht. In de
G/geest van veelstemmigheid.
naar archief