naar archief
Publicatiedatum: 3 november 2011
Auteur: Peter Verhoeff
overgenomen uit
Kerkinformatie, nr. 196, oktober 2011
Vrijheid van godsdienst
Vroeger was alles
beter. De vreugde van ouder worden is dat je dat steeds vaker
kunt zeggen. En dat je ook steeds vaker gelijk hebt. In ieder
geval naar je zelf meent.
Zo leerden wij vroeger bij Staatsinrichting dat de grondwet aan
burgers een aantal grondrechten toekent. Voorbeelden zijn het
recht op vergadering, het recht op gelijke behandeling (= verbod
op discriminatie) en vrijheid van meningsuiting. Klassiek is ook
de vrijheid van godsdienst.
Steeds meer ontdekken wij echter dat
grondrechten ook met elkaar kunnen strijden. Dat roept vragen
op. Mag een christelijke school (vrijheid van godsdienst) eisen
stellen aan het privé-leven van leerkrachten (verbod op
discriminatie)? Kun je een buschauffeur verbieden een hoofddoek
te dragen? En mogen ambtenaren van de burgerlijke stand weigeren
homoparen te trouwen?
Soms zelfs lijken spontaan nieuwe grondrechten te ontstaan.
Joden en moslims doen voor hun rituele slacht een beroep op de
grondwettelijke godsdienstvrijheid. Maar de Tweede Kamer vindt
het recht van dieren belangrijker.
Ook al is er in het parlement sec nooit over gesproken,
langzamerhand tekent zich zo een rangorde in grondrechten af. Om
het voorzichtig te zeggen: godsdienstvrijheid staat daarbij niet
vooraan in de rij.

Dat grondrechten
schuren is natuurlijk onontkoombaar. Maar de duidelijk
waarneembare trend is dat Nederland het steeds moeilijker krijgt
met godsdienst. De overheid gaat daarbij naar mijn idee voorop
en geeft vooral als signaal af: natuurlijk mag u geloven, maar
wilt u het wel binnenshuis doen? En wilt u de deur goed achter u
sluiten?
Ik was vorig jaar aanwezig bij de herdenking van het
vliegtuigongeluk bij Tripoli. Ondanks toezeggingen en ondanks
het feit dat er onder slachtoffers en nabestaanden een niet
onaanzienlijk aantal mensen van kerkelijke huize was, mochten de
kerken niet spreken. De overheid wil neutraal zijn, dus geen
geloof erbij.
Naar mijn idee zit
hem de kneep in het begrip neutraal. In toenemende mate wordt
dat door de overheid opgevat als: alle religie buiten de deur
houden. Maar dat is niet neutraal zijn, dat is ontkennen. Meer
dan de helft van onze bevolking is op een of andere manier
gelovig. Waarom mogen dan bij de Tripoliherdenking de kerken
niet kort spreken? En waarom krijgt bij de herdenking van een
ongeluk van Turkish Airlines de imam niet het woord? Natuurlijk
is dat niet het enige, maar waarom zou het er niet óók bij
mogen horen?
Vrijheid van godsdienst
behelst meer dan dat godsdienst achter de voordeur wordt
gedoogd. Als godsdienstvrijheid een echt grondrecht is, dan
wordt religie niet genegeerd maar komt het ook een plaats toe in
de openbare ruimte. Van de overheid als hoeder van de
grondrechten mag verwacht worden dat zij daarvoor opkomt. Maar
dat doet zij steeds minder. En volgens mij was dat vroeger
beter. •

Peter
Verhoeff
preses
van de generale synode
naar archief