|
Terwijl we op een koude dag
in zijn kamer
zaten,
keken we naar buiten.
Welk beeld iets uitdrukt van hoe ik me van
binnen voel?
Hij zocht naar een antwoord op mijn vraag.
Ik denk de winter, vervolgde hij.
Het heeft iets troosteloos,
moet je eens kijken,
geen
blaadje meer aan die bomen te zien,
alles grijs en grauw.
Soms voel ik me als een boom in een bos,
waarvan de bomen
een voor een gekapt worden.
Zeker nu mijn vrouw er niet meer
is.
Alsof alles van waarde mij ontglipt.
Bij ons thuis hing
een tegeltje in de gang:
‘Van het concert des levens
krijgt niemand een program’.
Eerder stond ik er niet zo
bij stil,
nu denk ik, da’s maar goed ook,
ik vind het
gemis moeilijk te dragen.
En dan zitten we met elkaar.
In de
huiskamer. |
Ieder met de eigen gedachten.
Er wordt weinig
gezegd.
Ik sluit me er zelf ook vaak voor af.
Ik kijk naar
buiten,
Het lijkt of ik dan niks doe,
Dat is niet zo,
ik zit
vol gedachten,
het brengt me in werelden
waar ik graag ben.
Verleden week neuriede iemand een melodie.
Het viel me op,
het raakte me.
Ik wist ook waarom.
Wat had ik dat lang niet
gehoord.
Het bracht me terug naar mijn geboortedorp.
Bij
mijn buurvrouw.
Ik was daar graag.
Daar was ik welkom,
Dat
voelde ik thuis niet.
Het zij zo, zo is het gegaan.
Mijn
buurvrouw?
Een bijzondere vrouw.
Ze zong altijd!
Of ze nu
aan het verstellen was of aan het koken.
Ik zie het nog voor
me.
Ik hoor het nog in mij klinken. |
Ze zong altijd.
Wat mooi dat ik het weer
teruggevonden heb,
In mezelf, door die melodie.
Ik was het
kwijt.
Hoe is het mogelijk, denk ik nu.
Wat me er zo in
raakt?
Nu, dat zij, mijn buurvrouw,
het zong om door te
gaan.
Ze had veel tegenslagen te verduren.
Haar verlangen
naar uitzicht,
naar licht
het is ook mijn verlangen
geworden.
Het verlangen om verder te kijken
om niet helemaal
op te gaan
in wat me hier en nu overkomt.
Of zij mij dat
heeft geschonken?
Ja, mooi eigenlijk.
Ze zal zich er
helemaal niet
bewust van zijn geweest.
Zo’n klein zaadje, dat ze heeft gezaaid in mijn leven.
Samen zingen, nu, dit
lied?
Dat is goed. |